ZORG

 

DO’S EN DON’TS BIJ DE CITO TOETSEN

 

Het is weer zover. De toetsmania begint weer! Met mijn groep 7 neem ik in januari/februari zes toetsen (keer een x aantal delen) af, en voor mijn groep 8, zijn het zelfs acht toetsen!

 

Rond deze periode is er veel te lezen over de zin en onzin van het toetsen. Daar heb ik ook mijn eigen mening over, maar daar gaat dit artikel niet over. Hier probeer ik alleen wat praktische handreikingen te doen. Wellicht voor mensen die al heel lang in het onderwijs werken gesneden koek, maar voor de nieuwkomers handig!

 

Niet doen!

 

De toets oefenen!

 

 

 

Heel veel druk op de toets leggen. In de hogere groepen zeggen ‘dat het advies hier van af hangt’.

 

 

 

 

Toetsen op maandagochtend, vrijdagmiddag of vlak na een vakantie.

 

De toetshandleiding letterlijk voorlezen aan je leerlingen. Er staat wel wat je kunt zeggen, maar dit betekent niet dat je dit klakkeloos overneemt.

 

Voor alle leerlingen dezelfde toets op dezelfde manier afnemen.

 

 

Leerlingen een al half nagekeken toetsblaadje teruggeven. Hoe demotiverend is het als ze zien dat ze bij deel 1 de helft van de opgaven fout hebben!

 

Genoegen nemen met een resultaat wat je absoluut niet verwachtte.

 

 

 

De resultaten (A t/m E of I t/m V) alleen gebruiken in het oudergesprek om het ‘niveau van de leerling’ aan te geven.

 

Doen!

 

Bereid je leerlingen er op voor dat er een CITO toets komt. Laat ze wennen aan de vraagstelling d.m.v. bijvoorbeeld een CITO hulpboekje.

 

Leg je leerlingen uit waar de toets voor bedoeld is. Om het beeld dat de juf/meester van een leerling heeft, te bevestigen. Benadruk dat er naast de toets, ook nog naar heel veel andere zaken wordt gekeken.

 

Toets op een tijdstip waarvan jij weet dat je leerlingen goed geconcentreerd kunnen werken.

 

Neem de toetshandleiding goed door en weet wat er van jou als leerkracht verwacht wordt.

 

 

Ga in overleg met je I.B.’er over zorgleerlingen. Krijgen zij extra hulpmiddelen, tijd of voorbereiding? Of is er misschien een aangepaste toets voor hen?

 

De toets pas nakijken als alle delen af zijn.

 

 

Bij een resultaat dat afwijkt van je verwachtingen, voer je een diagnostisch gesprek of toets je door. Je hebt pas iets aan een toetsresultaat als je het kunt interpreteren.

 

Gebruik maken van de gegevens die je hebt verzameld. Dus ook categorieënanalyses, trendanalyses, dwarsdoorsnedes e.d. Ze kunnen je allemaal helpen om je onderwijs zo goed mogelijk af te stemmen op jouw leerlingen.

 

Ik benoem in dit artikel CITO, omdat elke school waar ik heb gewerkt, het leerlingvolgsysteem van CITO hanteert. Ik heb nog nooit met een ander gewerkt, maar ga er van uit dat (een deel van) de tips ook voor andere leerlingvolgsystemen bruikbaar zijn.

 

Squla maakt de twee mooie posters bij mijn do's en dont's! Dankjewel!

 

8 TIPS VOOR DE OUDERGESPREKKEN

 

 

De rapporten zijn de deur uit, de gesprekken zijn gevoerd. Een drukke periode, maar ook hartstikke waardevol, want je leert zo veel over je leerlingen door met hun ouders te praten. En een positief gesprek kan mij enorm veel energie geven.

 

En toch blijft het moeilijk, een goed oudergesprek voeren. Ik word er ieder jaar beter in, maar ben er nog lang niet. Toch deel ik acht tips waar ik zelf veel aan heb.

 

 

1. Bereid de gesprekken goed voor.

 

Een goede voorbereiding is alles. Voorafgaand aan het gesprek noteer ik wat mijn doelen zijn en kort toegelicht wat ik met ouders wil bespreken. Op die manier weet ik zeker dat ik niets vergeet en bespaar ik een hoop werk achteraf. Dan hoef ik namelijk mijn voorbereiding nog maar aan te vullen met aandachtspunten vanuit ouders en is mijn verslag af.

 

In mijn voorbereiding houd ik er rekening mee dat ik niet meer dan twee of drie zaken met ouders wil bespreken in één oudergesprek. Dit voorkom ik door dringende zaken direct af te handelen.

 

 

2. Bewaar geen dringende zaken voor de gespreksronde.

 

Wil je ouders over iets belangrijks spreken, nodig ze dan meteen uit of telefoneer met ze. Laat dringende zaken niet wachten tot een gespreksronde. Je loopt dan namelijk het risico dat zaken zich opstapelen en dat je een hele lijst met aandachtspunten met ouders moet doornemen.

 

Het gevolg daarvan is dat het gesprek uitloopt, er zaken vergeten worden, het gesprek een negatieve lading krijgt en zowel jij als de ouders er een naar gevoel aan overhouden.

 

 

3. Nodig de kinderen uit bij het gesprek aanwezig te zijn.

 

In mijn groep verwacht ik van groep 7 en 8 dat de leerlingen bij het gesprek aanwezig zijn. Dan krijgen ze namelijk een voorlopig advies. De kinderen van groep 5 en 6 mogen zelf kiezen of ze erbij zijn.

 

Ouders zijn hier eigenlijk allemaal heel positief over. Is er toch iets waarover we met alleen de volwassenen willen praten, dan geef ik dat tegen het eind van het gesprek gewoon aan en dan wacht het kind even buiten de klas.

 

 

4. Realiseer je dat het oudergesprek vooral voor de ouders heel spannend is.

 

Dit was voor mij echt een blinde vlek in mijn eerste jaren als leerkracht. Ik was er zo bewust van het feit dat ik het zelf zo spannend vond, dat ik me helemaal niet realiseerde dat het voor de ouders nog veel spannender is. Stel ze dus op hun gemak door positief te beginnen en voorkom een heel formele sfeer.

 

 

5. Maak de doelen aan het begin van het gesprek duidelijk

 

Ik start de gesprekken met het welkom heten van ouders. Is dat gebeurd, dan geef ik aan wat mijn doelen voor het gesprek zijn. Bijvoorbeeld: "Janneke krijgt vandaag haar voorlopig advies en ik wil jullie graag informeren over de nieuwe aanpak die ze bij spelling volgt." Meteen daarna vraag ik aan ouders of zij daarnaast nog zaken hebben die ze zeker besproken willen hebben.

 

Ik probeer er voor te zorgen dat ieder punt aan bod komt. Moet er ergens langer over gesproken worden, en komen we tijd te kort, dan kan er altijd een nieuwe afspraak gemaakt worden.

En dat brengt me meteen op de volgende tip:

 

 

6. Neem de tijd.

 

Er is in mijn ogen niets zo ineffectief als een 10-minutengesprek, maar daarmee wil ik ook niet zeggen dat gesprekken van 45 minuten wel effectief zijn.

 

Misschien hebben jullie op school gezamenlijk afspraken gemaakt over de duur van oudergesprekken. Zo niet, bedenk dan goed voor jezelf waar jij behoefte aan hebt. Stel jezelf vragen als:

- Hoe lang heb ik nodig om in een gesprek tot de kern te komen?

- Heb ik behoefte aan een pauze tussen de gesprekken in?

- Hoeveel gesprekken kan ik voeren op een dag?

 

Zelf rooster ik 15 minuten in per gesprek en na elk gesprek 5 minuten pauze. Ik probeer het aantal gesprekken per dag tot zes of minder te beperken.

 

 

7. Zorg voor een goede balans tussen spreken en luisteren

 

Sinds mijn eerste oudergesprek (in mijn eerste jaar als leerkracht) en het laatste oudergesprek dat ik verleden week voerde, zie ik een ontwikkeling van spreken naar luisteren.

 

Terugkijkend was ik voorheen vooral zelf veel aan het woord. Als ik eraan terugdenk zie ik ouders luisteren, knikken en verwoed proberen alles te onthouden.

 

Nu doe ik nog altijd mijn zegje, maar probeer ik ook ouders hun verhaal te laten doen. Dat betekent dus ook stiltes laten vallen... Moeilijk! Maar het gaat steeds beter.

 

 

8. Wees positief

 

Niet alle oudergesprekken zijn prettig. Soms komt een ouder boos naar school. Soms moet je als leerkracht slecht nieuws mededelen.

 

Probeer dan toch een positieve draai aan het gesprek te geven. Ouders hebben tijd vrijgemaakt om met je te komen praten, bedank hen daarvoor. Ouders die boos reageren, maken zich meestal gewoon zorgen over hun kind. Ga niet in die bozigheid mee, maar richt je op oplossingen die je samen met ouders kunt bereiken.

 

 

Veel succes met jouw gesprekken! Laat het me weten als je nog meer tips hebt.

 

 

FIJNE MOTORIEK

 

Hoe kan er binnen de reguliere organisatie aandacht worden besteed aan fijn motorische activiteiten, met als uiteindelijk doel de schrijfmotoriek van onder- en middenbouw leerlingen te bevorderen?

 

Op deze vraag heb ik getracht een antwoord te vinden in de profileringsopdracht die ik voor de leergang vakbekwaam bewegingsonderwijs maakte. Dat is mij redelijk gelukt. Het hele verslag plaatsen, is niet mogelijk, omdat het specifiek op mijn school is toegespitst, maar een aantal onderdelen er uit, wil ik met jullie delen.

 

Zo heb ik een algemene theoretische verkenning van de fijne motoriek op de basisschool gemaakt. Daarnaast heb ik vijftig voorbeelden geformuleerd van hoe je thematisch aandacht aan de fijne motoriek kunt besteden in de onderbouw. Ten slotte heb ik voor de onder- en middenbouw twintig activiteiten opgesteld om de fijne motoriek in de gymzaal te bevorderen.

 

Klik hier om 'fijne motoriek op de basisschool' te downloaden.

Klik hier om 'vijftig keer fijne motoriek in de klas' te downloaden.

Klik hier om 'twintig keer fijne motoriek in de gymzaal' te downloaden.

 

BELONINGSYSTEMEN

 

Na mijn artikel over beloningsystemen voor vervangers, kreeg ik een aantal suggesties voor nog meer eenvoudige en creatieve beloningsystemen. Deze vijf beloningsystemen voor in de klas werden bedacht of verzameld door juf Chiara (tip 1 t/m 4) en juf Annelies (tip 5).

 

1. Pauwenpluimen

Je kunt dit systeem klassikaal en individueel gebruiken. Maak een grote afbeelding van een pauw. De pauw heeft nog geen pluimen. Ieder kind heeft een pluim met zijn/haar naam op. De pluimen liggen vooraan bij de leerkracht. Als de leerlingen flink zijn, krijgen ze hun pluim op de bank. Ze mogen de pluim zelf op de pauw gaan hangen. Het moment waarop dit gebeurt kun je afspreken. Je kunt het op dat ogenblik laten doen of op een vast moment klassikaal. Op het einde van de dag kun je samen kijken of de klas flink was en wie er heel hard zijn best deed. Het is de bedoeling om de trotse pauw zoveel mogelijk pluimen te geven.

 

2. Knikkerspotje

Het knikkerpotje is geschikt voor het individueel belonen. Voor kinderen die het soms wat moeilijker hebben om de regels na te leven, kun je een potje en knikkers gebruiken. Wanneer ze gedurende een bepaalde periode flink zijn (bijvoorbeeld 10 minuten) of als ze iets heel goed doen, geef je hen een knikker voor in hun pot. Als de pot gevuld is tot een bepaald streepje (of helemaal), dan mag de leerling een beloningstussendoortje of vrije activiteit kiezen. De activiteit wordt met heel de klas uitgevoerd op een gepast moment.

 

3. Geluidsmeter

Dit beloningsysteem is klassikaal in te zetten. Tijdens groepswerk kan het soms lawaaierig worden. Teken een geluidsmeter op het bord. Dit kan een vulkaan, een vaas of iets anders zijn, als het maar ingekleurd kan worden. Iedere keer als de leerlingen te luid praten wordt er een deeltje extra ingekleurd. Als de geluidsmeter vol is, moeten de leerlingen 5 minuten in totale stilte werken. Als de geluidsmeter tot onder de helft gevuld blijft, dan kun je de leerlingen belonen. Dit kan met een bewegingstussendoortje, spelletje of door een speelleerles te geven, zoals sommen oefenen via een ganzenbordspel in plaats van in het werkboek.

 

4. Gedragsladder

Dit beloningsysteem is voor individuele leerlingen. Zoek een afbeelding van een ladder en hang er wasknijpers met de namen van je leerlingen (die dit nodig hebben) aan. Als leerlingen braaf zijn, schuif je hun naam een trede naar boven. Als ze stout zijn, schuif je hun naam een trede naar beneden. Het is de bedoeling om bovenaan de ladder te eindigen.

 

5. Armbandjes

Dit beloningsysteem kan klassikaal of individueel ingezet worden. De juf (of meester) heeft een arm vol armbandjes. De armbandjes maak je door gekleurde kinderleggings in ‘strookjes’ te knippen. Gebruik hiervoor wel een kleine maat, zodat de ‘armbandjes’ om de polsen van de leerlingen passen. De leerlingen kunnen de armbandjes verdienen wanneer ze goed gedrag laten zien. Dit gedrag moet echter van te voren wel benoemd worden. Het is dus handig om eerst gedragsregels aan te leren. Een leerling kan meerdere armbandjes per dag verdienen. Spreek met de kinderen af wat de beloning is wanneer ze een bepaald aantal armbandjes verdiend hebben.

 

 

 

WERKEN AAN WERKHOUDING

 

In elke groep zitten wel leerlingen met een zwakkere werkhouding. Ze er op wijzen, is over het algemeen niet genoeg om het probleem te verhelpen. Wat doe jij dan in de klas? Ik ga met deze leerlingen in gesprek en laat ze zelf verwoorden wat ze graag aan de werkhouding zouden veranderen. Meestal weten ze namelijk zelf heel goed wat hun actiepunten zijn.

 

Stap 1: kindgesprek

Ik vraag ze eerst waar ze goed in zijn en wat ze moeilijk vinden. Ik vraag dan ook echt door, toon interesse en maak duidelijk dat alle antwoorden goed zijn. Daarna laat ik de kinderen doelen opstellen waar ze aan willen werken. Ik laat ze zelf kiezen aan welke en hoeveel doelen ze willen werken, maar houd wel in de gaten dat deze zinvol zijn. Ten slotte geven de kinderen nog zelf aan hoe ze er aan willen werken en wie of wat ze erbij nodig hebben.

 

Klik hier om het vragenblad te downloaden.

 

Stap 2: oudergesprek

Ik nodig de ouders uit voor een gesprek samen met het kind. Dit gesprek start ik, maar al snel geef ik het woord aan het kind. Hij of zij vertelt dan aan ouders wat we besproken hebben, aan welke doelen we gaan werken en hoe we dit gaan doen. Ook geeft het kind aan hoe ouders hem of haar hiermee kunnen helpen.

 

Stap 3: uitvoeren

Per week laat ik de leerling één doel uitkiezen waar hij of zij zich dan de hele week op concentreert. Dagelijks, of per dagdeel evalueer ik dit met de leerling. Gaat het goed, dan wordt er de week daarna naast dit doel een nieuw doel gekozen. Ik benader vooral positief, door te complimenteren waar het goed gaat. Lukt het eens nog niet, dan geef ik kleine aanwijzingen. Ik houd ouders regelmatig bij de deur of per e-mail op de hoogte van vorderingen.

 

Klik hier om het evaluatieblad te downloaden.

 

Stap 4: afbouwen

Na een tijdje zijn alle doelen behaald. Ik vier dit met het kind door een kleine (niet-materiële) beloning. Dan is het echter nog niet klaar. Ook in de periode die hierop volgt, blijf ik met de doelen bezig. Ik bouw af: in plaats van per dagdeel, evalueren we per dag en na een tijdje per week.

 

 

STAPPENPLAN KLEURENKLOK

 

In de onderbouw gebruik ik de kleurenklok wel eens wanneer ik samen met een kind of groepje kinderen aan de slag ga. Hoe ouder de kinderen worden, hoe meer ik ze aanspoor om de kleurenklok zelfstandig te gebruiken.

 

Een van mijn leerlingen heeft moeite met het inplannen van zijn weektaak. De kleurenklok helpt hem daarbij. Ik heb dit stappenplannetje gemaakt om het gebruik van de kleurenklok voor hem en mij zichtbaar te maken.

 

Klik hier om het stappenplan te downloaden.

 

BACK TO SCHOOL

Back to School 2017